Op een fles staat 750 ml, in een voorschrift staat 0,75 liter. Dat is dezelfde hoeveelheid, alleen anders opgeschreven. Wie dat niet meteen ziet, gaat op zoek naar een omrekening die er niet is, of vergist zich juist met een factor duizend.
Waarom is dit handig op het rekenexamen? Verpakkingen zijn bijna altijd in milliliters gelabeld, terwijl de vraag in liters is gesteld, of andersom. Dat komt in elk beroep terug: doseren, aanmaken, afvullen, uitschenken. De som eronder is meestal simpel; het foutje zit in de eenheid.
De trap
Van milliliter naar liter loop je langs ml, cl, dl, l. Elke stap omhoog is delen door 10, elke stap omlaag is vermenigvuldigen met 10. Van ml helemaal naar l zijn dat drie stappen, dus delen door 1.000. Andersom vermenigvuldig je met 1.000. Twee vaste ankers om aan vast te houden: 750 ml is 0,75 liter en 2,5 liter is 2.500 ml. Een centiliter is tien milliliter, dus 33 cl is 330 ml.
Een uitgewerkt voorbeeld
Ga uit van een fles van 1,5 liter. Je schenkt er drie bekers van 200 ml uit en je wilt weten hoeveel er overblijft.
Stap 1: alles in dezelfde eenheid.
1,5 × 1.000 = 1.500 ml.
Stap 2: wat eruit gaat.
3 × 200 = 600 ml.
Stap 3: aftrekken.
1.500 − 600 = 900 ml en dat is 900 ÷ 1.000 = 0,9 liter.
Merk op dat het rekenwerk pas begint als alles in dezelfde eenheid staat. Zet dat om vóór je optelt of aftrekt, nooit halverwege.
Mini-oefening: een pak bevat 1,25 liter. Je schenkt vier bekers van 150 ml in. Hoeveel milliliter blijft er over en hoeveel liter is dat?
Antwoord: 1,25 × 1.000 = 1.250 ml en 4 × 150 = 600 ml. Er blijft 1.250 − 600 = 650 ml over, oftewel 0,65 liter.