← Terug naar Rekenmaatje

woensdag 19 augustus 2026

Met negatieve getallen rekenen voelt voor veel mbo-studenten als het onbekende terrein. Maar het moment dat je snapt hoe je ermee omgaat, wordt heel veel in het examen ineens makkelijker. Negatieve getallen duiken overal op: bij schulden, temperatuurverschillen, teruggeboekingen en zelfs in financiële berekeningen waar bedragen dalen in plaats van stijgen.

Waarom is dit belangrijk voor je rekenexamen?
Op het rekenexamen niveau 4 moet je vaardig zijn met negatieve getallen, vooral bij optellen en aftrekken. Het gaat niet alleen om het goede antwoord, maar ook om het snappen van de logica erachter. Zodra je dat doorhebt, verlies je geen punten meer aan slordigheid en kun je je concentreren op de moeilijkere opgaven.

De twee belangrijkste regels

Regel 1: Min en min bij elkaar optellen
Als je twee negatieve getallen bij elkaar optelt, worden ze samen negatiever. Bijvoorbeeld: −5 + (−3) = −8. Je kunt dit zien als schulden: je hebt 5 euro schuld en krijgt er 3 euro schuld bij, dus je staat nu 8 euro in het rood.

Regel 2: Min aftrekken heft op
Als je een negatief getal aftrekt, gebeurt er iets bijzonders. De twee minnen heffen elkaar op en worden een plus. Dus: 5 − (−3) = 5 + 3 = 8. Je trekt schuld af, wat betekent dat je schuld vermindert.

Praktijkvoorbeeld
Stel dat je een bankrekening hebt. Je saldo is −20 euro (je staat 20 euro in het rood). Je stort 15 euro in. Wat is je nieuwe saldo?

Berekening: −20 + 15 = −5
Je saldo wordt −5 euro. Je schuld is afgenomen, maar je staat nog steeds in het rood.

Nu een tweede situatie: je saldo is −20 euro en je schrikt van een terugboeking. Die terugboeking was een schuld die je eerder had (dus −10 euro) en die wordt nu ongedaan gemaakt. Dit betekent: −20 − (−10).
De twee minnen heffen op: −20 − (−10) = −20 + 10 = −10
Je saldo wordt −10 euro. Je schuld is kleiner geworden.

Onthoud dit goed
Wanneer je (−) − (−) ziet, wordt het altijd +. Dubbele min is plus. Dat is het geheim achter veel rekenopgaven met negatieve getallen.

Zelf oefenen
Los dit op: −8 − (−5) = ?
(Antwoord: −8 + 5 = −3)

Alle blogposts →