← Terug naar Rekenmaatje

vrijdag 4 september 2026

Afstand delen door tijd: dat is de hele formule voor snelheid. Het lastige zit bijna nooit in die deling zelf, maar in de eenheden — en juist daar loopt het op het rekenexamen mis.

Op het examen krijg je een snelheid zelden kant-en-klaar aangeleverd. Je krijgt een afstand en een tijd, waarbij die tijd in uren én minuten staat of alleen in minuten. Wie de tijd niet eerst omrekent, deelt door het verkeerde getal en komt uit op een antwoord dat er net naast zit. Zonde, want de som zelf is één deling.

Werk daarom in drie stappen. Schrijf eerst op wat je hebt: de afstand in kilometers en de tijd zoals hij gegeven is. Zet daarna de tijd om naar uren, want een snelheid in km/u vraagt om uren. Minuten deel je daarvoor door 60. Pas als de tijd in uren staat, deel je de afstand door die tijd. De uitkomst is het aantal kilometers dat je in één uur aflegt.

Een voorbeeld. Stel dat je 45 kilometer aflegt in 1 uur en 30 minuten. Zet eerst de minuten om: 30 ÷ 60 = 0,5 uur. De totale tijd is dus 1 + 0,5 = 1,5 uur. Dan de deling: 45 ÷ 1,5 = 30. De gemiddelde snelheid is 30 km/u. Reken je antwoord terug om het te controleren: 30 × 1,5 = 45 kilometer, precies de afstand waarmee je begon.

Staat de tijd alleen in minuten, dan werkt het net zo. Ga uit van 18 kilometer in 45 minuten. Eerst 45 ÷ 60 = 0,75 uur. Daarna 18 ÷ 0,75 = 24, dus 24 km/u. Let op dat die uitkomst groter is dan de afstand. Dat hoort zo: in een heel uur leg je meer af dan in driekwart uur.

Krijg je een tijd als 2 uur en 12 minuten, reken dan 12 ÷ 60 = 0,2 uur en tel dat bij de 2 op. Een half uur is 0,5 en een kwartier is 0,25 — die twee kun je uit je hoofd leren.

Probeer het zelf. Stel dat een bestelbus 70 kilometer rijdt in 1 uur en 45 minuten. Wat is de gemiddelde snelheid? Reken de minuten eerst om: 45 ÷ 60 = 0,75 uur, dus de totale tijd is 1,75 uur. Daarna 70 ÷ 1,75 = 40. Het antwoord is 40 km/u.

Alle blogposts →