← Terug naar Rekenmaatje

donderdag 13 augustus 2026

Het gebeurt voortdurend in de supermarkt: twee pakken van dezelfde shampoo, twee soorten olie, twee merken melk. Ze kosten allebei wat anders en hebben allebei een ander volume. Welke koop je? Dit is precies het moment waarop je prijs per eenheid nodig hebt.

Waarom is dit handig voor je rekenexamen?
Op je toets krijg je geregeld vragen waarbij je twee of meer aanbiedingen tegen elkaar moet afwegen. Je kunt niet zomaar naar de totale prijs kijken – die zegt niets als de hoeveelheden verschillen. Door de prijs per eenheid uit te rekenen, maak je alles vergelijkbaar. Dit is ook een nuttige vaardigheid voor je werk en je dagelijks leven.

Hoe werkt het?
De formule is simpel: deel de totale prijs door de hoeveelheid. Zo krijg je een prijs per stuk, per kilogram, per liter – wat je maar nodig hebt. Nu kun je beide aanbiedingen rechtstreeks vergelijken.

Praktijkvoorbeeld
Je staat in de winkel en ziet twee potten pindakaas:
– Pot A: 400 gram voor €4,80
– Pot B: 600 gram voor €6,90

Welke is het voordeligst? Je rekent beide uit naar prijs per 100 gram (of per kilogram – het antwoord is hetzelfde).

Pot A: €4,80 ÷ 400 gram = €0,012 per gram. Per 100 gram: €0,012 × 100 = €1,20

Pot B: €6,90 ÷ 600 gram = €0,0115 per gram. Per 100 gram: €0,0115 × 100 = €1,15

Pot B is goedkoper per 100 gram (€1,15 tegen €1,20). Dit is je antwoord. Het verschil is klein, maar over tijd en meerdere aankopen loopt dat uit.

Een tip: Je hoeft niet altijd naar dezelfde hoeveelheid om te rekenen. Je kunt ook beide prijzen naar 1 gram berekenen en die meteen vergelijken. Het principe is hetzelfde.

Nu jij
Je gaat tandpasta kopen. Tube A kost €2,40 voor 100 ml. Tube B kost €3,50 voor 150 ml. Welke tube is per ml goedkoper? Reken beide uit.

Antwoord: Tube A: €2,40 ÷ 100 = €0,024 per ml. Tube B: €3,50 ÷ 150 = €0,0233 per ml (afgerond). Tube B is goedkoper per milliliter.

Alle verdiepende posts → · het hele archief