← Terug naar Rekenmaatje

dinsdag 18 augustus 2026

Stel dat op een werktekening 2,5 m³ staat en de leverancier vraagt hoeveel liter je nodig hebt. Dan reken je geen nieuwe hoeveelheid uit: het is dezelfde inhoud, alleen in een andere eenheid. En dat omrekenen is niet meer dan één vermenigvuldiging.

Waarom is dit handig op het rekenexamen? Inhoud staat zelden in dezelfde eenheid als waarin de vraag hem wil hebben. Een tank of een vat wordt in kubieke meters opgegeven, terwijl je verbruik in liters telt. Wie dan de verkeerde kant op rekent, zit er meteen een factor duizend naast en zo'n antwoord valt niet altijd op als je er niet even bij stilstaat.

De regel

1 m³ is 1.000 liter. Van kubieke meters naar liters vermenigvuldig je dus met 1.000; de andere kant op deel je door 1.000. Het helpt om te onthouden dat 1 liter precies 1 dm³ is: een kubus van 10 bij 10 bij 10 centimeter. In een kubieke meter passen 10 × 10 × 10 = 1.000 van die kubussen en daar komt die duizend vandaan.

Een uitgewerkt voorbeeld

Ga uit van een vat met een inhoud van 1,8 m³. Je tapt er 250 liter uit en je wilt weten hoeveel er overblijft.

Stap 1: naar dezelfde eenheid.
1,8 × 1.000 = 1.800 liter.

Stap 2: aftrekken.
1.800 − 250 = 1.550 liter.

Stap 3: terug naar kubieke meters, als de vraag daarom vraagt.
1.550 ÷ 1.000 = 1,55 m³.

Reken nooit met twee eenheden door elkaar. Zet eerst alles om en pas daarna tel je op of trek je af.

Mini-oefening: een bak bevat 0,75 m³ water. Er gaat 400 liter bij. Hoeveel liter zit er dan in en hoeveel kubieke meter is dat?

Antwoord: 0,75 × 1.000 = 750 liter, plus 400 geeft 1.150 liter. Gedeeld door 1.000 is dat 1,15 m³.

Alle verdiepende posts → · het hele archief