← Terug naar Rekenmaatje

vrijdag 21 augustus 2026

√49 = 7, want 7 × 7 = 49. Dat is de hele definitie van wortel trekken: je zoekt het getal dat met zichzelf vermenigvuldigd je startgetal oplevert. Kwadrateren en wortel trekken zijn elkaars omgekeerde, net zoals vermenigvuldigen en delen dat zijn.

Waarom is dit handig op het rekenexamen? Zodra je van een oppervlakte terug wilt naar een lengte, heb je een wortel nodig. Van een vierkant weet je de oppervlakte en zoek je de zijde. Ook in formules die je krijgt aangereikt staat regelmatig een wortelteken en dan moet je weten wat je knop op de rekenmachine eigenlijk doet.

Wat helpt

Ken de kwadraten van 1 tot en met 12 uit je hoofd: 1, 4, 9, 16, 25, 36, 49, 64, 81, 100, 121, 144. Zie je zo'n getal onder het wortelteken staan, dan weet je het antwoord meteen. Staat er iets anders, dan schat je tussen twee bekende kwadraten in. √50 ligt tussen √49 = 7 en √64 = 8 en veel dichter bij de 7 dan bij de 8.

Een uitgewerkt voorbeeld

Ga uit van een vierkante vloer met een oppervlakte van 144 m². Je wilt weten hoe lang één zijde is en hoeveel meter plint er langs de vier randen loopt.

Stap 1: van oppervlakte naar zijde.
√144 = 12, want 12 × 12 = 144. Elke zijde is dus 12 meter.

Stap 2: de vier randen bij elkaar.
4 × 12 = 48 meter plint.

Let op de eenheden: de oppervlakte staat in vierkante meters, de zijde die eruit komt in gewone meters. Dat is precies wat de wortel doet, hij haalt er één dimensie af.

Mini-oefening: een vierkant terras is 81 m². Hoe lang is een zijde en hoeveel meter rand loopt eromheen?

Antwoord: √81 = 9 meter per zijde, want 9 × 9 = 81. Rondom is dat 4 × 9 = 36 meter.

Alle blogposts →