Stel dat een doos 40 centimeter lang is, 25 centimeter breed en 30 centimeter hoog. Hoeveel past erin? Drie getallen vermenigvuldigen is het hele werk — het lastige zit ergens anders.
Inhoud reken je uit met lengte × breedte × hoogte. Op het rekenexamen staan die drie zijden alleen zelden in dezelfde eenheid. De ene maat staat in meters en de andere in centimeters. Wie ze zo in de rekenmachine stopt, krijgt een antwoord dat een factor honderd of duizend naast de waarheid zit. Zet daarom eerst alles om naar dezelfde eenheid. Pas daarna vermenigvuldig je.
Terug naar de doos. Die drie maten staan al in centimeters, dus je kunt meteen aan de slag. Eerst 40 × 25 = 1000. Dat keer 30 geeft 30.000. De inhoud is dus 30.000 kubieke centimeter. Wil je het in liters, deel dan door 1000: een liter is precies 1000 kubieke centimeter. De doos houdt 30 liter.
Nu een geval waarin de eenheden niet kloppen. Ga uit van een bak van 1,2 meter lang, 80 centimeter breed en 50 centimeter hoog. Zet de lengte om: 1,2 meter is 120 centimeter. Nu staan alle drie de maten in dezelfde eenheid. Dan 120 × 80 = 9600. Dat keer 50 geeft 480.000 kubieke centimeter. Gedeeld door 1000 is dat 480 liter.
Had je die 1,2 laten staan, dan was er 1,2 × 80 × 50 = 4800 uit gekomen. Dat scheelt een factor honderd met het goede antwoord. Zo'n uitkomst herken je als je even stilstaat bij de orde van grootte: een bak van ruim een meter lang houdt geen 4,8 liter.
Probeer het zelf. Stel dat een kist 60 centimeter lang is, 0,4 meter breed en 25 centimeter hoog. Hoeveel liter past erin? Zet eerst 0,4 meter om naar 40 centimeter. Dan 60 × 40 = 2400. Dat keer 25 geeft 60.000 kubieke centimeter. Gedeeld door 1000 is het antwoord 60 liter.