Reken je 25 × 18 uit en rolt er 4500 uit je rekenmachine, dan klopt er iets niet. Even schatten laat dat meteen zien: 25 × 20 is 500, dus je antwoord hoort in de buurt van 500 te liggen. Het juiste antwoord is 450 en die 4500 was een nul te veel.
Waarom is schatten handig op het rekenexamen? Je krijgt geen seintje als je een cijfer verkeerd intoetst. Een ruwe schatting vooraf geeft je een verwachting om je uitkomst naast te leggen. Wijkt je antwoord daar sterk van af, dan weet je meteen dat je iets moet nakijken. Het kost een paar seconden en het vangt precies de fouten die anders onopgemerkt blijven: een komma verkeerd, een nul te veel of een verkeerde bewerking.
Zo pak je het aan
Rond de getallen eerst af naar getallen waar je uit je hoofd mee kunt rekenen. Reken die schatting uit. Doe daarna pas de precieze berekening en leg je antwoord naast je schatting. Liggen ze in dezelfde orde van grootte, dan ga je verder. Schelen ze een factor 10 of meer, dan zoek je eerst waar het misging.
Een uitgewerkt voorbeeld
Stel dat je 38 dozen moet vullen met 24 stuks per doos en je wilt weten hoeveel stuks je in totaal nodig hebt.
Stap 1: schatten.
38 rond je af naar 40 en 24 rond je af naar 25. 40 × 25 = 1000. Je verwacht dus ongeveer duizend stuks.
Stap 2: precies rekenen.
38 × 24 = 912.
Stap 3: vergelijken.
912 ligt vlak onder de duizend en dat klopt met wat je deed: je hebt beide getallen naar boven afgerond, dus je schatting moest iets te hoog uitvallen. Je antwoord is 912 stuks.
Zie je in stap 3 een verschil dat je niet kunt verklaren, dan is dat je signaal om de berekening nog een keer te doen. Een schatting is geen extra som, maar een controle die je bijna niets kost.
Mini-oefening: schat eerst en reken daarna 19 × 51 uit. Past je uitkomst bij je schatting?
Antwoord: de schatting is 20 × 50 = 1000. Precies uitgerekend is 19 × 51 = 969. Dat ligt vlak bij de schatting, dus je antwoord is te vertrouwen.